believen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·lie·ven
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘behagen’ voor het eerst aangetroffen in 1419 [1]
  • afgeleid van lief met het voorvoegsel be- met het achtervoegsel -en [2]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
believen
beliefde
beliefd
zwak -d volledig

Werkwoord

believen

  1. onpersoonlijk naar de zin zijn
    • Het beliefde hem niet om daarop in te gaan. 
Vertalingen
enkelvoud meervoud
naamwoord believen -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

believen o

  1. naar ~: nader door degene die het uitvoert te bepalen, precies zoals je het zelf wilt
    • Je kunt er naar believen wat suiker op strooien. 

Gangbaarheid

82 % van de Nederlanders;
73 % van de Vlamingen.

Verwijzingen