uitbannen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·ban·nen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitbannen
bande uit
uitgebannen
zwak -d

gemengd

volledig

Werkwoord

uitbannen

  1. overgankelijk iets uitdrijven of wegjagen
    • Wij hebben de duivel hier volledig uitgebannen. 
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
87 % van de Vlamingen.