weggaan
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- weg·gaan
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| weggaan |
ging weg |
weggegaan |
| klasse 7 | volledig | |
Werkwoord
weggaan
- zich ergens vandaan begeven
- We moeten nu echt weggaan, anders komen we niet meer op tijd.
- uitgaan, feesten
- Wilde jij vanavond nog weggaan?
- uit een relatie stappen
- De vriendin van de buurman is gisteren bij hem weggegaan.
Synoniemen
- [1] vertrekken, aftaaien
Vertalingen
1. zich ergens vandaan begeven