omweg
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- om·weg
Woordherkomst en -opbouw
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | omweg | omwegen |
| verkleinwoord | omweggetje | omweggetjes |
Zelfstandig naamwoord
omweg m
- de weg die langer is dan de gewone of kortste verbinding tussen twee plaatsen
- Omdat de weg ten gevolge van een ongeluk was afgesloten, moest men een omweg maken om op de plaats van bestemming te komen.
- nodeloze omhaal van woorden
- Met veel omwegen trachtte de man zijn plannen duidelijk te maken.