wegkijken
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- weg·kij·ken
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| wegkijken |
keek weg |
weggekeken |
| klasse 1 | volledig | |
Werkwoord
wegkijken
- (inergatief) de blik afwenden, de blik van iemand anders vermijden
- Hij knikt en kijkt weg.
- (inergatief) negeren, doen of iets niet bestaat
- Het geweld in die regio werd zo hevig, dat de wereld niet meer kon wegkijken.
- (overgankelijk) onwelkom laten voelen, zo kijken dat iemand weggaat
- Het gezin met jonge kinderen werd nog net niet weggekeken uit de chique winkel.