tuig

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Het tuig van een yawl - met de bezaanmast achter het roer.

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tuig
enkelvoud meervoud
naamwoord tuig tuigen
verkleinwoord tuigje tuigjes

Zelfstandig naamwoord

tuig o

  1. ding, voorwerp
    Pas op anders gaat dat hele tuig in de fik.
  2. (techniek) machine of gebruiksklare constructie, die is ingericht om een activiteit of bezigheid te verrichten of eenvoudiger te maken: rijden, spelen, varen enz.
    Als het tuig eenmaal in de ruimte is, begint de gewichtsloosheid een rol te spelen.
  3. plebs, lieden van laag allooi
    Ik laat me door dat tuig niet in de wielen rijden.
  4. harnas, verzameling riemen waarmee een persoon of dier in bedwang gehouden kan worden
    Met dit tuigje kunnen we tenminste verhinderen dat onze peuter uit zijn kinderstoel valt.
  5. (scheepvaart) de verzamelnaam voor alle zeilen, staand (vast) en lopend (beweegbaar) want, het touwwerk en de rondhouten die nodig zijn om een schip voort te bewegen en om een schip te laten ankeren
    De klippers waren snelle schepen met een imposant tuig.
Antoniemen
Hyponiemen
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
tuigen

tuig

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tuigen
    Ik tuig.
  2. gebiedende wijs van tuigen
    Tuig!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tuigen
    Tuig je?


Iers

Uitspraak
Uitspraak

Werkwoord

tuig

  1. verstaan, begrijpen.
    An dtuigan tu? - <<begrijp je?>>.
    thuigim - <<nee>>.
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen