tuig
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- tuig
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | tuig | tuigen |
| verkleinwoord | tuigje | tuigjes |
Zelfstandig naamwoord
tuig o
- ding, voorwerp
- Pas op anders gaat dat hele tuig in de fik.
- (techniek) machine of gebruiksklare constructie, die is ingericht om een activiteit of bezigheid te verrichten of eenvoudiger te maken: rijden, spelen, varen enz.
- Als het tuig eenmaal in de ruimte is, begint de gewichtsloosheid een rol te spelen.
- plebs, lieden van laag allooi
- Ik laat me door dat tuig niet in de wielen rijden.
- harnas, verzameling riemen waarmee een persoon of dier in bedwang gehouden kan worden
- Met dit tuigje kunnen we tenminste verhinderen dat onze peuter uit zijn kinderstoel valt.
- (scheepvaart) de verzamelnaam voor alle zeilen, staand (vast) en lopend (beweegbaar) want, het touwwerk en de rondhouten die nodig zijn om een schip voort te bewegen en om een schip te laten ankeren
- De klippers waren snelle schepen met een imposant tuig.
Antoniemen
- [5] scheepsromp
Hyponiemen
2. Soorten -tuig
|
|
- [4] paardentuig, tuigleer, tuigpaard
5. Soorten scheepstuig
Verwante begrippen
- [2] apparaat, constructie, gereedschap, gerei, inrichting, installatie, instrument, rusting, toebehoren, toestel, uitrusting, voorziening
- [4] halster, hoofdstel, teugel, zadel
- [5] blok, boegspriet, bras, mast, ra, putting, reep, schieman, schoot, val, want, zeil
Afgeleide begrippen
- rijtuigbouwer, vliegtuigbestuurder, vliegtuigbouwer, vliegtuigkaping, vliegtuigloods, vliegtuigmotor, vliegtuigromp, vliegtuigstaart, vliegtuigvleugel, werktuigbouw, werktuigbouwkunde, werktuigbouwkundige, werktuigkennis, werktuigkunde, werktuigmachine, werktuigmaker, zintuigstelsel
Vertalingen
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| tuigen |
tuig
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tuigen
- Ik tuig.
- gebiedende wijs van tuigen
- Tuig!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tuigen
- Tuig je?
Iers
Uitspraak
Uitspraak
Werkwoord
tuig
- verstaan, begrijpen.
- An dtuigan tu? - <<begrijp je?>>.
- Ní thuigim - <<nee>>.