blok

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • blok
enkelvoud meervoud
naamwoord blok blokken
verkleinwoord blokje blokjes

Zelfstandig naamwoord

blok o

  1. een vaak hoekig massief stuk materiaal.
    Het blok viel vanaf een redelijke hoogte op zijn teen.
Vertalingen

Werkwoord

blok

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van blokken.
  2. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van blokken
  3. gebiedende wijs van blokken.
Persoonlijke instellingen