inrichting
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- in·rich·ting
Woordherkomst en -opbouw
- Naamwoord van handeling van inrichten met het achtervoegsel -ing.
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | inrichting | inrichtingen |
| verkleinwoord |
Zelfstandig naamwoord
inrichting v
- instituut voor ontspoorden
- De ontspoorde jongere belandde in een penitentiaire inrichting.
- de wijze waarop iets ingericht is, hoe dingen zijn neergezet in een ruimte, hoe ruimtes zijn verdeeld
- We hebben veel aandacht besteed aan de inrichting van de winkel.
Hyperoniemen
- [1] instantie, instelling, instituut
Hyponiemen
- [1] kliniek