want

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Rechts: het staand want ter stabilisatie van de mast
Het lopend want voor het hijsen van de zeilen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • want
Woordherkomst en -opbouw
  • [1] Van Frankisch want, vanwaar Frans gant
  • [3] Afgeleid van want (2.) op basis van gelijkenis
enkelvoud meervoud
naamwoord want wanten
verkleinwoord wantje wantjes

Zelfstandig naamwoord

want

  1. v/m: (kleding) handschoen waarbij alle vingers, behalve de duim in één ruimte zitten
  2. o: (scheepvaart) de lijnen of staalkabels aan stuur- en bakboord, die een mast overeind houden (staand want), en het touwwerk om de zeilen te zetten (lopend want)
    De voor- en achterstag rekent men gewoonlijk niet tot het want.
Hyperoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Spreekwoorden
  • van wanten weten
kordaat optreden, van aanpakken weten
Vertalingen

Meer informatie

Voegwoord

want

  1. geeft nevenschikkend een reden aan.
    Opm.: 'want' kan niet aan het begin van de zin geplaatst worden.
    Ik wil een biertje, want ik heb dorst.
Verwante begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
wannen

want

  1. tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wannen
    Jij want.
  2. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wannen
    Hij want.
  3. verouderde gebiedende wijs meervoud van wannen
    Want!

Werkwoord

vervoeging van
wanten

want

  1. enkelvoud tegenwoordige tijd van wanten
  2. gebiedende wijs van wanten


Engels

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Middelengelse wanten.
vervoeging
onbepaalde wijs to want
he/she/it wants
verleden tijd wanted
voltooid
deelwoord
wanted
onvoltooid
deelwoord
wanting
gebiedende wijs want

Werkwoord

want

  1. willen
    «What do you want to eat?»
    Wat wil je eten?