want
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- want
Woordherkomst en -opbouw
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | want | wanten |
| verkleinwoord | wantje | wantjes |
Zelfstandig naamwoord
want
- v/m: (kleding) handschoen waarbij alle vingers, behalve de duim in één ruimte zitten
- o: (scheepvaart) de lijnen of staalkabels aan stuur- en bakboord, die een mast overeind houden (staand want), en het touwwerk om de zeilen te zetten (lopend want)
- De voor- en achterstag rekent men gewoonlijk niet tot het want.
Hyperoniemen
- [2] tuigage
Afgeleide begrippen
- [1] ovenwant
- [2] hoofdwant, lopend want, staand want, topwant
Verwante begrippen
- [1] handschoen
- [2] achterstag, bras, schoot, putting, spanner, stag, val, verstaging, voorstag, zaling
Vertalingen
1. handschoen
2. scheepvaart
Spreekwoorden
- van wanten weten
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
Voegwoord
want
- geeft nevenschikkend een reden aan.
- Opm.: 'want' kan niet aan het begin van de zin geplaatst worden.
- Ik wil een biertje, want ik heb dorst.
Verwante begrippen
Vertalingen
1. geeft nevenschikkend een reden aan
Engels
Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw
- Afkomstig van het Middelengelse wanten.
| vervoeging | |
|---|---|
| onbepaalde wijs | to want |
| he/she/it | wants |
| verleden tijd | wanted |
| voltooid deelwoord |
wanted |
| onvoltooid deelwoord |
wanting |
| gebiedende wijs | want |
Werkwoord
want
- willen
- «What do you want to eat?»
- Wat wil je eten?
- «What do you want to eat?»