schoot
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- Geluid: schoot (hulp, bestand)
- IPA:
- (Noord-Nederland): /sχot/
- (Vlaanderen, Brabant, Limburg): /sxot/
Woordafbreking
- schoot
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | schoot | schoten |
| verkleinwoord | schootje | schootjes |
Zelfstandig naamwoord
schoot m
- (anatomie) de bovenkant van de dijen van iemand die zit
- (anatomie) baarmoeder
- (scheepvaart) een lijn, aan de benedenhoek (de schoothoek) van een zeil bevestigd om het zeil mee in de wind te richten
Afgeleide begrippen
- [2] moederschoot
- [3] fokkeschoot, grootschoot, grootzeilschoot, schoothoek
Verwante begrippen
Vertalingen
1. de bovenkant van de dijen van iemand die zit
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| schieten |
schoot
- enkelvoud verleden tijd van schieten
- Ik schoot.
- Jij schoot.
- Hij, zij, het schoot.
- Ik schoot.