schoot

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • schoot
enkelvoud meervoud
naamwoord schoot schoten
verkleinwoord schootje schootjes

Zelfstandig naamwoord

schoot m

  1. (anatomie) de bovenkant van de dijen van iemand die zit
  2. (anatomie) baarmoeder
  3. (scheepvaart) een lijn, aan de benedenhoek (de schoothoek) van een zeil bevestigd om het zeil mee in de wind te richten
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
schieten

schoot

  1. enkelvoud verleden tijd van schieten
    Ik schoot.
    Jij schoot.
    Hij, zij, het schoot.
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen