instrument
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- Geluid: instrument (hulp, bestand)
Woordafbreking
- in·stru·ment
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | instrument | instrumenten |
| verkleinwoord | instrumentje | instrumentjes |
Zelfstandig naamwoord
instrument o
- werktuig.
- Kun je mij dat instrument aangeven?
- (muziek) verkort voor muziekinstrument.
- Ik zou graag een nieuw instrument kopen, maar heb het geld nog even niet.
Afgeleide begrippen
Vertalingen
1. werktuig
|