teugel
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- IPA:
- (Nederland) /ˈtøɣəl/
- (Vlaanderen) /ˈtøʝəl/
Woordafbreking
- teu·gel
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | teugel | teugels |
| verkleinwoord | teugeltje | teugeltjes |
Zelfstandig naamwoord
teugel m
- riem of koord waarmee men een last- of rijdier bestuurt
- Met een krachtige ruk aan de teugels kwam het paard tot stiltand.
- de streek bij vogels tussen het oog en de wortel van de bovensnavel
- Bij het roodborstje is ook de teugel rood.
Synoniemen
- (riem of koord voor het besturen van dieren)
Afgeleide begrippen
- (riem of koord voor het besturen van dieren)
Uitdrukkingen en gezegden
- de teugels afwerpen
- zich aan het gezag onttrekken
- de teugels vieren
- de druk verminderen
- iemand de vrije teugel laten
- iemand z'n gang laten gaan
Vertalingen
1. riem of koord voor het besturen van dieren
2. streek bij vogels
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.