teugel

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • teu·gel
enkelvoud meervoud
naamwoord teugel teugels
verkleinwoord teugeltje teugeltjes

Zelfstandig naamwoord

teugel m

  1. riem of koord waarmee men een last- of rijdier bestuurt
    Met een krachtige ruk aan de teugels kwam het paard tot stiltand.
  2. de streek bij vogels tussen het oog en de wortel van de bovensnavel
    Bij het roodborstje is ook de teugel rood.
Synoniemen
  1. (riem of koord voor het besturen van dieren)
Afgeleide begrippen
  1. (riem of koord voor het besturen van dieren)
Uitdrukkingen en gezegden
  • de teugels afwerpen
    • zich aan het gezag onttrekken
  • de teugels vieren
    • de druk verminderen
  • iemand de vrije teugel laten
    • iemand z'n gang laten gaan
Vertalingen

Meer informatie

Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen