apparaat
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ap·pa·raat
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | apparaat | apparaten |
| verkleinwoord | apparaatje | apparaatjes |
Zelfstandig naamwoord
apparaat o
- samenstelsel van onderdelen
- Het apparaat is door de ingeslagen bliksem kapotgegaan.
Synoniemen
Verwante begrippen
- antwoordapparaat, blusapparaat, espressoapparaat, gehoorapparaat, koffiezetapparaat, kopieerapparaat, lasapparaat, meetapparaat, randapparaat, scheerapparaat, tosti-apparaat, weergaveapparaat
Vertalingen
1. een min of meer samengesteld werktuig
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.