zadel

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • za·del
enkelvoud meervoud
naamwoord zadel zadels
verkleinwoord zadeltje zadeltjes

Zelfstandig naamwoord

zadel m/o

  1. zitplaats op de rug van een (rij)dier
  2. zitplaats op een (gemotoriseerde) fiets
  3. (muziek) deel van een muziekinstrument waar de snaren strak over gespannen zijn, kam
  4. bergpas
  5. bevestiging voor kabels en leidingen
  6. lendenstuk (vgl. kalfszadel, lamszadel)
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
zadelen

zadel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zadelen
    Ik zadel.
  2. gebiedende wijs van zadelen
    Zadel!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zadelen
    Zadel je?

Meer informatie

Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen