zadel
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- za·del
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | zadel | zadels |
| verkleinwoord | zadeltje | zadeltjes |
Zelfstandig naamwoord
- zitplaats op de rug van een (rij)dier
- zitplaats op een (gemotoriseerde) fiets
- (muziek) deel van een muziekinstrument waar de snaren strak over gespannen zijn, kam
- bergpas
- bevestiging voor kabels en leidingen
- lendenstuk (vgl. kalfszadel, lamszadel)
Afgeleide begrippen
- [1]: paardenzadel, ezelszadel, kamelenzadel
Vertalingen
zitplaats op dier of fiets
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| zadelen |
zadel
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zadelen
- Ik zadel.
- gebiedende wijs van zadelen
- Zadel!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zadelen
- Zadel je?
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.