rijtuig

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rij·tuig
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord rijtuig rijtuigen
verkleinwoord rijtuigje rijtuigjes

Zelfstandig naamwoord

rijtuig o

  1. (verkeer) wagen die door een of meer paarden getrokken wordt
    Te Berwick, niet ver van Chicago, lieten Donderdagavond laat zes roovers zich in een rijtuig naar de Bank rijden. Terwijl twee hunner (thans: van hen) buiten bleven om op het rijtuig te passen, gingen de vier anderen, met behulp van valsche sleutels, het gebouw binnen, lieten met dynamiet de brandkast openspringen en stalen daaruit 30,000 dollars in goud. [1]
  2. (verkeer) een van de wagens van trein of tram, treinwagon, tramwagon
    Als aanvulling op de eenheids-doorgangswagen („Donnerbüchsen“) werd het rijtuigfabrikaat Bi 29 ontwikkeld. Deze rijtuigen hadden geen open platforms, maar een gesloten instapruimte om reizigers in de 2e klas beter tegen tocht te beschermen.
  3. in meer algemene zin elk tuig waarmee kan worden gereden
    zonder laatstgenoemde definitie zou een motorrijtuig anders geen rijtuig zijn(!) terwijl we lezen in de wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen:
    Artikel 31
    Op de eerste vordering van de personen, belast met de opsporing van de in deze wet strafbaar gestelde feiten is de bestuurder van een motorrijtuig verplicht het rijtuig te doen stilhouden en indien hij ingevolge artikel 14 eerste lid, artikel 17 tweede lid of artikel 19 eerste lid een document bij zich moet hebben, dit behoorlijk ter inzage af te geven.

Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Verwijzingen
  1. Bron:
    Tijdschrift: Het Nieuws van den dag.
    Opgericht door G. L. Funke en P. van Santen.
    No. 10363, Maandag 19 October 1903
    6e Blad. Bladzijde 21.
    Buitenlandsch Nieuws.
    Het nieuws van den dag. 19 October 1903.