toebehoren
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- toe·be·ho·ren
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| toebehoren |
behoorde toe |
toebehoord |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
toebehoren
- het eigendom zijn van
- Die fiets behoort hem toe.