mast

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mast
enkelvoud meervoud
naamwoord mast masten
verkleinwoord mastje mastjes

Zelfstandig naamwoord

mast m

  1. (scheepvaart) lange, rechtop staande paal midden op het schip waaraan vlaggen, zeilen en/of ra's bevestigd kunnen worden
  2. palen waartussen (elektriciteits- of telefoon-)draden gespannen kunnen worden
  3. lange paal voor vlaggen - vlaggenmast
  4. hoge antenne
  5. varkensvoer, bestaande uit eikels en beukenoten
Verwante begrippen
Spreekwoorden
  • de mast strijken
de mast laten zakken (gecontroleerd om laten vallen)
  • de mast kappen
de mast omkappen, in noodgevallen de mast losmaken van het schip om te voorkomen dat het hele schip zinkt
  • voor de mast dienen
op een schip werken in een van de lagere rangen (geen officiersrangen)
  • voor de mast zitten
niets anders kunnen eten
Vertalingen

Meer informatie

  • Zie de doorverwijspagina op Wikipedia voor meer informatie.