mast
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- mast
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | mast | masten |
| verkleinwoord | mastje | mastjes |
Zelfstandig naamwoord
mast m
- (scheepvaart) lange, rechtop staande paal midden op het schip waaraan vlaggen, zeilen en/of ra's bevestigd kunnen worden
- palen waartussen (elektriciteits- of telefoon-)draden gespannen kunnen worden
- lange paal voor vlaggen - vlaggenmast
- hoge antenne
- varkensvoer, bestaande uit eikels en beukenoten
Verwante begrippen
- elektriciteitsmast, telefoonmast
- vlaggenmast, mastklimmer,
- mastklimmen
- mastbank, mastbos, mastkorf, mastkraag, maststoel, maststut, mastvoet, mastworp
- bezaansmast, fokkemast, kruismast
- ra, giek, gaffel
Spreekwoorden
- de mast strijken
- de mast laten zakken (gecontroleerd om laten vallen)
- de mast kappen
- de mast omkappen, in noodgevallen de mast losmaken van het schip om te voorkomen dat het hele schip zinkt
- voor de mast dienen
- op een schip werken in een van de lagere rangen (geen officiersrangen)
- voor de mast zitten
- niets anders kunnen eten
Vertalingen
1. lange, rechtop staande paal midden op het schip
2. palen waartussen (elektriciteits- of telefoon-)draden gespannen kunnen worden
Meer informatie
- Zie de doorverwijspagina op Wikipedia voor meer informatie.