tuigen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tui·gen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
tuigen
tuigde
getuigd
zwak -d volledig

Werkwoord

tuigen

  1. (verouderd) eruitzien
    Hy hadt een kort gesneden pruikje op, dat niet onäartig tuigde, met een groot, breet, vry vurig aangezicht [.][1]
  2. (verouderd) het ergens op aanbrengen van benodigdheden of versieringen
    Ze waren nog bezig met het tuigen van de kerstboom.
  3. (overgankelijk) (scheepvaart) een zeilschip een bepaald tuigage geven,
    Tientallen jaren voer het schip vracht op de motor, totdat een liefhebber het schip kocht en het weer tuigde als zeilschip.
  4. (dichterlijk) getuigen
    Hij leefde in u, hij wou niets anders zijn
    Dan de onlichaamlijk-stoffelooze geest
    Die door hand en penseel tuigde van u.[2]
  5. (inergatief) (veeteelt) geschikt zijn voor arbeid in een tuig van een paard
    [...] in de herfst werd er op Wychen - Hedel - of Gorcummarkt een „grasperd" gekocht, dat in de loop van winter en lente ,,aangeleerd" en na een of twee jaar, indien het goed tuigde en voor „vierkant eerlijk" kon worden meegegeven, met een flinke winst verkocht werd. .
  6. (overgankelijk) (veeteelt) een dier inspannen in een tuig
    Dat paard wordt getuigd.
Synoniemen
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

tuigen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord tuig
Verwijzingen
  1. Betje Wolff en Aagje Deken, Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart
    Drie en veertigste brief.
    Isaac van Cleef 's-Gravenhage 1782
  2. "Voetwassching"
    Albert Verwey, Het Zichtbaar Geheim
    , Deel I: Het Eigen Rijk, onderdeel: De Verborgene, pagina 66-69
    Amsterdam (W. Versluys) 1915.