rond

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

stellend vergrotend overtreffend
onverbogen rond ronder rondst
verbogen ronde rondere rondste
Woordafbreking
  • rond

Bijvoeglijk naamwoord

rond

  1. cirkelvormig
    Koning Arthur zat aan een ronde tafel met zijn ridders, in plaats van zich aan het hoofd te plaatsen.
  2. (oenologie) soepel, zacht, niet scherp, half strak.
    De wijn heeft een ronde smaak.
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Voorzetsel

rond

  1. om
    Een reis rond de wereld.
  2. omstreeks
    Ik kom vanavond rond 8 uur.

Bijwoord

  1. bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord
    ronddraaien: Zij draaide van duizeligheid rond
Persoonlijke instellingen