rondgang
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- rond·gang
Woordherkomst en -opbouw
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | rondgang | rondgangen |
| verkleinwoord | rondgangetje | rondgangetjes |
Zelfstandig naamwoord
rondgang m
- het afleggen van een weg die weer naar het punt van vertrek voert
- Heel het dorp liep mee in de stille rondgang.
- een omwenteling rond een middelpunt
- De jaarlijkse rondgang van de aarde om de zon.
- het afleggen van bezoeken ter kennismaking of het onderhouden van contacten in een kring van personen, plaatsen, bedrijfsonderdelen enz
- De net benoemde abt besloot een rondgang door de abdij te maken.
Synoniemen
- [1] omgang, ronde, rondje, rondrit, rotonde, rondweg, tour
- [2] cirkelgang, cyclus, omloop, omwenteling, periode, toer
- [3] ronde, rondleiding, rondreis, tour, tournee
Verwante begrippen
- [1] atletiekbaan, circuit, hoefslag, kringloop, ommetje, optocht, renbaan, processie, rotonde
- [2] as, draaiing, spil, toerenteller,
- [3] kennissenkring, handelsreiziger, vriendenkring, winkelketen
Vertalingen
1. het afleggen van een rondgaande weg