rondgang

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rond·gang
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord rondgang rondgangen
verkleinwoord rondgangetje rondgangetjes

Zelfstandig naamwoord

rondgang m

  1. het afleggen van een weg die weer naar het punt van vertrek voert
    Heel het dorp liep mee in de stille rondgang.
  2. een omwenteling rond een middelpunt
    De jaarlijkse rondgang van de aarde om de zon.
  3. het afleggen van bezoeken ter kennismaking of het onderhouden van contacten in een kring van personen, plaatsen, bedrijfsonderdelen enz
    De net benoemde abt besloot een rondgang door de abdij te maken.
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen