interval
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- in·ter·val
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | interval | intervallen |
| verkleinwoord | intervalletje | intervalletjes |
Zelfstandig naamwoord
interval o
- de tijd tussen twee tijdstippen van een tijdlijn, of de afstand tussen twee punten van een lijn
- (muziek) de telling van de tonen van een diatonische toonladder
- Het eerste interval van een diatonische toonladder heet prime.
- (muziek) de afstand tussen twee verschillende tonen van een diatonische toonladder
- Het interval tussen de twee noten is een kwart.
Synoniemen
- [1] episode, epoche, fase, interimperiode, periode, tijdsgewricht, tijdsinterval, tijdspanne, tijdsruimte, tijdvak, tussenpoos, tussentijd
- [3] tweeklank
Hyperoniemen
- [2] toonladder
Hyponiemen
- [2,3] prime, seconde, terts, kwart, kwint, sext, septime, (septiem), octaaf, none, decime, undecime, duo-decime, terts-decime
- [3] éénklank, unisono
Verwante begrippen
- [1] afstand, afstandsverschil, tijd, tijdverschil
- [3] akkoord, drieklank, vierklank, polyfoon
Vertalingen
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
Engels
Zelfstandig naamwoord
interval