interval

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·ter·val
enkelvoud meervoud
naamwoord interval intervallen
verkleinwoord intervalletje intervalletjes

Zelfstandig naamwoord

interval o

  1. de tijd tussen twee tijdstippen van een tijdlijn, of de afstand tussen twee punten van een lijn
  2. (muziek) de telling van de tonen van een diatonische toonladder
    Het eerste interval van een diatonische toonladder heet prime.
  3. (muziek) de afstand tussen twee verschillende tonen van een diatonische toonladder
    Het interval tussen de twee noten is een kwart.
Synoniemen
Hyperoniemen
Hyponiemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Meer informatie


Engels

Zelfstandig naamwoord

interval

  1. interval
  2. (muziek) interval.