lid
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- lid
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | lid | leden |
| verkleinwoord | lidje | lidjes |
Zelfstandig naamwoord
lid o
- iemand die behoort tot een groep, vereniging, organisatie of sekte
- De NCRV heeft nieuwe leden nodig om deze te kunnen blijven uitzenden!
- deel van een paragraaf van een wetsartikel
- De tekst van art. 269, derde lid, b), is van toepassing vanaf 10.01.2005.
- mannelijk geslachtsdeel
- Zijn lid in mijn mond.
- ooglid
- (anatomie) deel van het lichaam
- (biologie) deel van een insect
- (biologie) deel van de stengel dat zich tussen de twee knopen bevindt
- De knoop is de plaats waar een blad aan de stengel vastzit en een lid is een stuk stengel tussen twee knopen.
- (taalkunde) deel van een samengesteld woord
- Het eerste lid van een samenstelling.
- (verouderd) deksel
Synoniemen
Afgeleide begrippen
- [1] lidmaatschap, lidstaat
Verwante begrippen
- [1] vereniging
Vertalingen
1. iemand die behoort tot een groep, organisatie of sekte
7. deel van de stengel dat zich tussen de twee knopen bevindt
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
Afrikaans
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | lid | lede |
Zelfstandig naamwoord
lid
Engels
Zelfstandig naamwoord
lid