groep

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • groep
enkelvoud meervoud
naamwoord groep groepen
verkleinwoord groepje groepjes

Zelfstandig naamwoord

groep v

  1. uit meerdere personen, dieren of eenheden bestaand geheel
    Een groep Japanse toeristen stond volop foto's te nemen.
  2. (elektrotechniek) deel van een installatie dat afzonderlijk is beveiligd
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie