commandeur

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • com·man·deur
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord commandeur commandeurs
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

commandeur m

  1. iemand die het bevel voert, gewoonlijk over strijdkrachten
  2. officiersrang bij de zeemacht, tussen die van kapitein en schout-bij-nacht in en commodore bij de landmacht, resp. luchtmacht
  3. iemand met een ridderorde, in rang boven officier en onder grootkruis
    commandeur bij Woordenboek der Nederlandse taal (1500 tot ...)
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl