kruis

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken
1. kruis

Inhoud

Nederlands

Woordherkomst en -opbouw
  • Van het Latijnse woord crux (la)
3,12,13 enkelvoud meervoud
naamwoord kruis kruisen
verkleinwoord kruisje kruisjes
Uitspraak
Woordafbreking
  • kruis

Zelfstandig naamwoord

4,7,9 enkelvoud meervoud
naamwoord kruis kruisen
kruizen
verkleinwoord

kruis o

  1. (wiskunde) geometrisch figuur waarin twee rechte lijnen elkaar snijden.
  2. constructie van twee onder een hoek aan elkaar vastgemaakte onderdelen.
  3. ongeluk of ellende.
  4. (symbool) symbolisch teken (het rode kruis, hakenkruis, Andreaskruis).
  5. (religie) christelijk religieus symbool afgeleid van de kruiziging van Jezus Christus.
  6. (militair) militaire onderscheiding.
  7. (anatomie) deel van het menselijk lichaam waar de benen samenkomen.
  8. (kleding) plaats waar de pijpen van een broek samenkomen.
  9. (muziek) teken in de muziekschrift dat de verhoging van een toon met een halve stap aangeeft.
  10. (biologie) achterste deel van paardachtige dieren.
  11. (wiskunde) plusteken of maalteken.
  12. Sjabloon:gezondheidszorg een van de kruisverenigingen.
  13. Sjabloon:numismatica een van beide zijden van een munt.
  14. Sjabloon:strafstelsel folterwerktuig.
  15. (scheepvaart) bovendeel van een anker.
Vertalingen
Synoniemen
Antoniemen
Spreekwoorden

Meer informatie

Persoonlijke instellingen