part

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • part

Werkwoord

vervoeging van
parten

part

  1. enkelvoud tegenwoordige tijd van parten
  2. gebiedende wijs van parten


Engels

Uitspraak
enkelvoud meervoud
part parts

Zelfstandig naamwoord

part

  1. deel, gedeelte
    «He cut the apple in two parts.»
    Hij sneed de appel in twee delen.
  2. rol
    «He played the part of the king.»
    Hij speelde de rol van de koning.
vervoeging
onbepaalde wijs to part
he/she/it parts
verleden tijd parted
voltooid
deelwoord
parted
onvoltooid
deelwoord
parting
gebiedende wijs part

Werkwoord

part

  1. afscheid nemen