kleinood

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • klei·nood
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord kleinood kleinodiën
kleinoden
verkleinwoord kleinoodje kleinoodjes

Zelfstandig naamwoord

kleinood o [2]

  1. klein voorwerp van hoge waarde
    Het kleinood werd zorgvuldig opgeborgen.
  2. (faleristiek) het draagteken van een ridder- of andere orde in de vorm van een versiersel dat hangt aan een om het lichaam gedragen lint, keten of koord
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandse taal