chien

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Frans

Uitspraak
  • IPA: /ʃɪɛ̃/
Woordherkomst en -opbouw
  • van het Latijnse canis (hond)
  enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
mannelijk   chien     le chien     chiens     les chiens  
vrouwelijk   chienne     la chienne     chiennes     les chiennes  

Zelfstandig naamwoord

chien m

  1. (dierkunde) hond
  2. (dierkunde) reu
  3. haan (onderdeel van een geweer)
Uitdrukkingen en gezegden
  • arriver comme un chien dans un jeu de quille
    • zeer ongelegen komen
  • chien de garde
    • waakhond
  • coiffé à la chien
    • met wilde haren
  • comme chat et chien
    • als kat en hond (in voortdurende ruzie)
  • entre chien et loup
    • in de schemering
  • métier de chien
    • hondenbaan (slechte baan)
  • ne pas valoir les quatre fers d'un chien
    • geen knip voor de neus waard zijn (niets waard zijn)
  • nom d'un chien!
    • verrek!
  • se regarder en chiens de faïence
    • elkaar strak en boos aankijken
  • temps de chien
    • hondenweer (slecht weer)
  • vie de chien
    • hondenleven (slecht leven)
Spreekwoorden
  • bon chien chasse race
    • de appel valt niet ver van de boom (de kinderen lijken op de ouders)
  • qui veut noyer son chien, l'accuse de la rage
    • wie een hond wil slaan, kan gemakkelijk een stok vinden (voor iets kwaads vindt men gemakkelijk een voorwendsel)
Persoonlijke instellingen