chien
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Frans
Uitspraak
- IPA: /ʃɪɛ̃/
Woordherkomst en -opbouw
- van het Latijnse canis (hond)
| enkelvoud | meervoud | |||
|---|---|---|---|---|
| zonder lidwoord | met lidwoord | zonder lidwoord | met lidwoord | |
| mannelijk | chien | le chien | chiens | les chiens |
| vrouwelijk | chienne | la chienne | chiennes | les chiennes |
Zelfstandig naamwoord
chien m
Uitdrukkingen en gezegden
- arriver comme un chien dans un jeu de quille
- zeer ongelegen komen
- chien de garde
- waakhond
- coiffé à la chien
- met wilde haren
- comme chat et chien
- als kat en hond (in voortdurende ruzie)
- entre chien et loup
- in de schemering
- métier de chien
- hondenbaan (slechte baan)
- ne pas valoir les quatre fers d'un chien
- geen knip voor de neus waard zijn (niets waard zijn)
- nom d'un chien!
- verrek!
- se regarder en chiens de faïence
- elkaar strak en boos aankijken
- temps de chien
- hondenweer (slecht weer)
- vie de chien
- hondenleven (slecht leven)
Spreekwoorden
- bon chien chasse race
- de appel valt niet ver van de boom (de kinderen lijken op de ouders)
- qui veut noyer son chien, l'accuse de la rage
- wie een hond wil slaan, kan gemakkelijk een stok vinden (voor iets kwaads vindt men gemakkelijk een voorwendsel)