Hund

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Duits

Uitspraak
Woordafbreking
  • Hund

Zelfstandig naamwoord

Hund m

  1. hond
    «Vorsicht, bissiger Hund
    Opgepast voor de hond!
Verbuiging
enkelvoud meervoud
nominatief der Hund die Hunde
genitief des Hund(e)s der Hunde
datief dem Hund(e) den Hunden
accusatief den Hund die Hunde
Persoonlijke instellingen