dok
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- dok
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | dok | dokken |
| verkleinwoord | dokje | dokjes |
Zelfstandig naamwoord
dok o
- (muziekinstrument) een onderdeel van een klavecimbelmechaniek waarmee een snaar in trilling wordt gebracht door deze met een plectrum (kiel) opzij te duwen en dan te laten schieten
- De plectra aan de dokken maakte men vroeger van ravenpennen.
- (scheepvaart), (waterstaat) een voor buitenwater afsluitbaar gedeelte van een scheepswerf of een drijvende (ponton-)constructie waarmee, door het in- of uitlaten van water, schepen voor inspectie, onderhoud en reparatie kunnen worden drooggezet
- Het schip ligt nu in dok voor reparatie.
- (scheepvaart), (waterstaat) een haven in een havencomplex waar schepen kunnen worden afgemeerd, wachten, geladen of gelost
- Achter de zeesluis van Antwerpen hebben de dokken geen last van getijverschil.
Synoniemen
- [2] droogdok
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
- [1] kiel, plectrum, snaar, demper
- [2] botenlift
- [3] binnenhaven, kade, steiger, pier, terminal, overslag, container
Vertalingen
1. onderdeel van een klavecimbel
2. droogzetinrichting voor schepen
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| dokken |
dok
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van dokken
- Ik dok.
- gebiedende wijs van dokken
- Dok!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van dokken
- Dok je?
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
Kroatisch
Voegwoord
dok