dok

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Dok van een klavecimbel:
1. Snaar
2. Tongas
3. Tong
4. Kiel (plectrum)
5. Demper
Onderzeeboot in droogdok

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dok
enkelvoud meervoud
naamwoord dok dokken
verkleinwoord dokje dokjes

Zelfstandig naamwoord

dok o

  1. (muziekinstrument) een onderdeel van een klavecimbelmechaniek waarmee een snaar in trilling wordt gebracht door deze met een plectrum (kiel) opzij te duwen en dan te laten schieten
    De plectra aan de dokken maakte men vroeger van ravenpennen.
  2. (scheepvaart), (waterstaat) een voor buitenwater afsluitbaar gedeelte van een scheepswerf of een drijvende (ponton-)constructie waarmee, door het in- of uitlaten van water, schepen voor inspectie, onderhoud en reparatie kunnen worden drooggezet
    Het schip ligt nu in dok voor reparatie.
  3. (scheepvaart), (waterstaat) een haven in een havencomplex waar schepen kunnen worden afgemeerd, wachten, geladen of gelost
    Achter de zeesluis van Antwerpen hebben de dokken geen last van getijverschil.
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
dokken

dok

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van dokken
    Ik dok.
  2. gebiedende wijs van dokken
    Dok!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van dokken
    Dok je?

Meer informatie


Kroatisch

Voegwoord

dok

  1. terwijl