bod

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bod
enkelvoud meervoud
naamwoord bod biedingen
verkleinwoord bodje bodjes

Zelfstandig naamwoord

bod o

  1. (handel) een door een koper voorgestelde prijs
    Zijn bod was veel te laag.
  2. (handel) de handeling van het bieden
    Ze deed een bod op de antieke tafel.
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen