steek

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
[3] Napoleon met steek.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • steek
enkelvoud meervoud
naamwoord steek steken
verkleinwoord steekje steekjes

Zelfstandig naamwoord

steek m

  1. een penetratie met een scherp puntig voorwerp
    De steek met die dolk was diep genoeg om flinke schade te doen.
  2. een langdurige scherpe pijn
    Hij kreeg ineens een steek in de zij.
  3. een eenmalige doorvoering van een draad door een weefsel, meestal met behulp van een naald
  4. een bepaald soort hoofddeksel
  5. in de ~ laten: iemand verlaten in plaats van hulp te verlenen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
steken

steek

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van steken
    Ik steek.
  2. gebiedende wijs van steken
    Steek!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van steken
    Steek je?