bot

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bot
1,2 enkelvoud meervoud
naamwoord bot botten
verkleinwoord botje botjes
3 enkelvoud meervoud
naamwoord bot bots
verkleinwoord - -
4 enkelvoud meervoud
naamwoord bot botten
verkleinwoord botje botjes

Zelfstandig naamwoord

bot m

  1. (vissen) platvis.
  2. (Vlaanderen en Limburg) laars.
  3. (verkorting), (afkorting), (wikitaal) de afkorting voor robot, met name voor computerrobots.
  4. been, knook, een onderdeel van het skelet.
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Bijvoeglijk naamwoord

stellend vergrotend overtreffend
onverbogen bot botter botst
verbogen botte bottere botste
  1. niet scherp, stomp, wat snijdens scherp had moeten zijn. een botte bijl
  2. onbeleefd & direct, zich bot gedragen
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Werkwoord

bot

  1. derde persoon enkelvoud onvoltooid tegenwoordige tijd van uitbotten
  2. uitlopen van een plant.
  3. enkelvoud gebiedende wijs van uitbotten; uitlopen van een plant

Meer informatie


Angelsaksisch

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

bōt v

  1. remedie


Catalaans

Zelfstandig naamwoord

bot m

  1. sprong
  2. stuit (stuitering)

Zelfstandig naamwoord

bot m

  1. boot

Zelfstandig naamwoord

bot m

  1. waterzak of wijnzak
  2. doedelzak
Uitdrukkingen en gezegden
  • ploure a bots i barrals
pijpenstelen regenen


Indonesisch

Woordafbreking
  • bot
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

bot

  1. (kleding) laars


Koerdisch

Zelfstandig naamwoord

bot

  1. laars