bode
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- bo·de
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | bode | boden, bodes |
| verkleinwoord | - | - |
Zelfstandig naamwoord
bode m
- (beroep) iemand die gezonden wordt om een bericht, dienst, voorwerp enz. af te leveren
- De bode verkondigde een boodschap van grote vreugde.
Hyponiemen
- dagdienstbode, dienstbode, fondsbode, gemeentebode, gerechtsbode, gildebode, heidenbode, hemelbode, ijlbode, nieuwsbode, postbode, voorbode
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen
1. iemand die gezonden wordt om een bericht, dienst, voorwerp enz. af te leveren
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
Middelnederlands
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| nominatief | bode | boden |
| genitief | boden | boden |
| datief | bode | boden |
| accusatief | bode | boden |
Zelfstandig naamwoord
bode m