boodschap
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- bood·schap
Woordherkomst en -opbouw
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | boodschap | boodschappen |
| verkleinwoord | boodschapje | boodschapjes |
Zelfstandig naamwoord
boodschap v
- overgebracht bericht
- vooral mv. inkopen van met name levensmiddelen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
- [1] bericht, bode, mededeling
- [2] koopwaar
Uitdrukkingen en gezegden
- De juiste boodschap
- Geen boodschap hebben aan
Niets te maken willen hebben met.
- Die kun je wel om een boodschap sturen
Die is bijdehand.
- Een kleine/grote boodschap doen
Op het toilet een plasje/hoopje doen
Vertalingen
2. inkopen van met name levensmiddelen
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| boodschappen |
boodschap
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van boodschappen
- Ik boodschap.
- gebiedende wijs van boodschappen
- Boodschap!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van boodschappen
- Boodschap je?