zwijn

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

1. Een wild zwijn.
Uitspraak
Woordafbreking
  • zwijn
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zwijn zwijnen
verkleinwoord zwijntje zwijntjes

Zelfstandig naamwoord

zwijn o

  1. (evenhoevigen) benaming voor zoogdieren uit de familie Suidae op Wikispecies, waarvan de mannetjes slagtanden hebben
  2. (scheldwoord) (figuurlijk) iemand die zich vies, onbeschaafd of zeer slecht gedraagt
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
zwijnen

zwijn

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zwijnen
    • Ik zwijn. 
  2. gebiedende wijs van zwijnen
    • Zwijn! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zwijnen
    • Zwijn je? 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen