cochon

Uit WikiWoordenboek

Frans

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  cochon     le cochon     cochons     les cochons  

Zelfstandig naamwoord

cochon m

  1. varken
  2. (pejoratief) varken, viezerik, smeerpijp
    «Quel cochon tu fais!»
    Wat ben je toch een viezerik!
    «Un cochon n'y retrouverait pas ses petits!»
    Wat een zwijnenstal is het hier! (letterlijk: een varken zou zijn kleintjes niet terugvinden) [1]
  enkelvoud meervoud
  mannelijk   cochon cochons
  vrouwelijk   cochonne cochonnes

Bijvoeglijk naamwoord

cochon

  1. (spreektaal) smerig, vuil, vies
  2. (spreektaal) schunnig
    «On s'est raconté des histoires cochonnes
    We hebben elkaar schuine moppen verteld.
    «C'est pas cochon
    Da's niet vies, niet gek. [2]

Verwijzingen