cochon
Uiterlijk
- zn: via Middelfrans cochon "big" van het Oudfrans, met verder onduidelijke herkomst. Misschien van een onomatopee kosj-kosj voor het geknor van het varken met het achterzetsel -on [1]
- bn: van het zn
| enkelvoud | meervoud | ||
|---|---|---|---|
| zonder lidwoord | met lidwoord | zonder lidwoord | met lidwoord |
| cochon | le cochon | cochons | les cochons |
cochon m
- (evenhoevigen) varken [1]
- (scheldwoord) smeerlap, smeerpijp, varken [2], viezerik
- «Quel cochon tu fais!»
- Wat ben je toch een viezerik!
- «Quel cochon tu fais!»
- Un cochon n'y retrouverait pas ses petits!
Wat een zwijnenstal is het hier! (letterlijk: een varken zou zijn kleintjes niet terugvinden)
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| mannelijk | cochon | cochons |
| vrouwelijk | cochonne | cochonnes |
cochon
- (spreektaal) smerig, vuil, vies
- (spreektaal) schunnig
- «On s'est raconté des histoires cochonnes.»
- We hebben elkaar schuine moppen verteld.
- «C'est pas cochon.»
- Da's niet vies, niet gek. [3]
- «On s'est raconté des histoires cochonnes.»
- ↑ cochon (Etymologie) in: Le Trésor de la Langue Française informatisé (1971-1994)
op de website cnrtl.fr
. - ↑ Wouw, Berry van de, Woordenboek populair Frans - Nederlands. Woordenboek van het Frans dat u op school nooit leerde, 2e druk, Breda: Uitgeverij Arti-Choc, 2014; p. 58
- ↑ Wouw, Berry van de, Woordenboek populair Frans - Nederlands. Woordenboek van het Frans dat u op school nooit leerde, 2e druk, Breda: Uitgeverij Arti-Choc, 2014; p. 59