big

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Zeug met biggetjes.
Uitspraak
Woordafbreking
  • big
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘jong van het varken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1573 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord big biggen
verkleinwoord biggetje biggetjes

Zelfstandig naamwoord

big v/m

  1. (veeteelt) (zoogdieren) een jong van het varken
    • Zij vindt biggetjes erg schattig. 
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

94 % van de Nederlanders
87 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Engels

Uitspraak
stellend vergrotend overtreffend
big bigger biggest

Bijvoeglijk naamwoord

big

  1. groot
Antoniemen


Frans

Uitspraak

Bijvoeglijk naamwoord

big

  1. (spreektaal) groot, enorm
    «C’est du big
    Da’s big business. [1]

Verwijzingen