zwijnenboel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zwij·nen·boel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zwijnenboel -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

zwijnenboel m

  1. een bende, een vuile troep
    • Wat een zwijnenboel is het in je kamer! 
Vertalingen

Gangbaarheid

85 % van de Nederlanders;
91 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be