babi

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ba·bi
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord babi babi's
verkleinwoord babietje babietjes

Zelfstandig naamwoord

babi m

  1. (Nederlands-Indië) (zoogdieren), (landbouw) varken, zwijn; naam voor soorten uit het geslacht Sus op Wikispecies
    • De fietser moest volgens "damai"-vonnis een biggetje van f 5 slachten en dit met de noodige rijst thuis bij den ouden man bezorgen en tegelijk vergiffenis vragen. De twee vechtlustigen moesten ook een babi slachten van dezelfde waarde. [1]
  2. (voeding) (Indische keuken) varkensvlees
    • Soms brengen de Chinezen hun hele familie mee: moeder de vrouw, dik en welgedaan vanwege de ‘bami’ en de ‘babi’, in kabaja met kanten en veel gelang mas; en kleine kinderen met schuine muizenoogjes en opgesierd met onkinderlijke kettingen en slingers, waaraan medaillons en gouden munten. [2]
  3. (Nederlands-Indië) (scheldwoord) varken
    • "Hé Kampret! Babi loe!" schreeuwde ik woedend, geen acht slaand op de biologische onmogelijkheid. [3]
Verwante begrippen

Gangbaarheid

33 % van de Nederlanders;
6 % van de Vlamingen.

Verwijzingen


Indonesisch

Woordafbreking
  • ba·bi

Zelfstandig naamwoord

babi

  1. (zoogdieren), (landbouw) varken, zwijn; naam voor soorten uit het geslacht Sus op Wikispecies
  2. (voeding) varkensvlees
  3. (scheldwoord) varken (een grovere belediging dan in het Nederlands, omdat het varken voor moslims een onrein dier is)