luid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • luid
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘hard klinkend’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1285 [1]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen luid luider luidst
verbogen luide luidere luidste
partitief luids luiders -

Bijvoeglijk naamwoord

luid

  1. veel lawaai producerend
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
luiden

luid

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van luiden
    • Ik luid. 
  2. gebiedende wijs van luiden
    • Luid! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van luiden
    • Luid je? 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen


Spaans

Werkwoord

vervoeging van
luir

luid

  1. gebiedende wijs (bevestigend) tweede persoon meervoud tegenwoordige tijd (presente) van luir