Naar inhoud springen

luid

Uit WikiWoordenboek
  • luid
  • In de betekenis van ‘hard klinkend’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1285 [1]
stellendvergrotendovertreffend
onverbogen luidluiderluidst
verbogen luideluidereluidste
partitief luidsluiders-

luid

  1. veel lawaai producerend
     Langzaam nam hij zijn skibril af, keek me rustig aan, draaide het gastenboek naar zich toe en riep met een luide stem door het kleine café: ‘Tim Van Gogh.[2]
     De chauffeurs deden hun raampjes naar beneden en stelden hun radio's op dezelfde blueszender af, de muziek schalde zo luid uit de auto's dat we bang waren opgepakt te worden wegens verstoring van de openbare orde.[3]
     Maar Quick ging niet weg en ik moest mijn tsunami van gillen die ik op het plein wilde loslaten inhouden, een schreeuw van blijdschap die zo luid zou zijn dat hij over de daken helemaal tot aan de kust van Kent zou reizen.[3]
vervoeging van
luiden

luid

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van luiden
    • Ik luid. 
  2. gebiedende wijs van luiden
    • Luid! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van luiden
    • Luid je? 
99 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[4]
  1. "luid" in:
    Sijs, Nicoline van der
    , Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org
    ; ISBN 90 204 2045 3
  2. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  3. 1 2
    Jessie Burton vert. Marja Borg
    “De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024574704
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
vervoeging van
luir

luid

  1. gebiedende wijs (bevestigend) tweede persoon meervoud tegenwoordige tijd (presente) van luir