luid

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • luid
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen luid luider luidst
verbogen luide luidere luidste
partitief luids luiders -

Bijvoeglijk naamwoord

luid

  1. veel lawaai producerend
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
luiden

luid

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van luiden
    • Ik luid. 
  2. gebiedende wijs van luiden
    • Luid! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van luiden
    • Luid je? 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.


Spaans

Werkwoord

vervoeging van
luir

luid

  1. gebiedende wijs (bevestigend) tweede persoon meervoud tegenwoordige tijd (presente) van luir