zachtheid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zacht·heid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zachtheid -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

zachtheid v

  1. de mate van zacht zijn
    • De zachtheid van dat voorwerp was erg klein. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie