winst

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • winst
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord winst winsten
verkleinwoord winstje winstjes

Zelfstandig naamwoord

winst v

  1. (economie) het verschil tussen de verkoopsprijs en alle kosten die men heeft gemaakt
     Mijn middelste dochter en ik shopten vaak in de stad en struinden kringloopwinkels af en ze begon vervolgens een klein handeltje door de daar gekochte merkkleding met winst door te verkopen.[3]
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • winst opleveren
Vertalingen


Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen