winnen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • win·nen
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘overwinnaar zijn’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1350 [1]
  • In de betekenis van ‘verwerven’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1237 [1]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
winnen
won
gewonnen
klasse 3 volledig

Werkwoord

winnen

  1. overgankelijk als beste partij uit een wedstrijd komen
    • Hij won het schoolkampioenschap hardlopen. 
  2. overgankelijk iets verkrijgen voor een goede prestatie
    • Hij won de bronzen medaille bij de Olympische Spelen. 
     De wijn uit het Rhônedal heeft de afgelopen decennia aan prestige gewonnen door productverbetering en slimme marketing. De Côtes du Rhône is allang geen onaanzienlijk slobberwijntje meer, maar een succesvol exportproduct.[2]
  3. overgankelijk een grondstof uit de natuur halen
    • Dat bedrijf gaat proberen goud te winnen in de Andes. 
  4. overgankelijk iemand ~ voor: iemand bereid vinden zich ergens voor in te zetten
    • Deze politicus bleek niet te winnen voor het plan. 
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen