winnen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • win·nen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
winnen
won
gewonnen
klasse 3 volledig

Werkwoord

winnen

  1. overgankelijk als beste partij uit een wedstrijd komen
    • Hij won het schoolkampioenschap hardlopen. 
  2. overgankelijk iets verkrijgen voor een goede prestatie bij een wedstrijd
    • Hij won de bronzen medaille bij de Olympische Spelen. 
  3. overgankelijk een grondstof uit de natuur halen
    • Dat bedrijf gaat proberen goud te winnen in de Andes. 
  4. overgankelijk iemand ~ voor: iemand bereid vinden zich ergens voor in te zetten
    • Deze politicus bleek niet te winnen voor het plan. 
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie