verlies

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·lies
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord verlies verliezen
verkleinwoord verliesje verliesjes

Zelfstandig naamwoord

verlies o

  1. het teloorgaan, het kwijtraken
    • Zijn vertrek naar Amerika is een groot verlies voor onze afdeling. 
    • Het bedrijf leed in dit kwartaal grote verliezen. 
     Er is immers geen sprake van verlies, echtscheiding of overlijden en verder weten we allebei dat we elkaar na een x aantal maanden weer zullen zien.[2]
Antoniemen
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
verliezen

verlies

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van verliezen
    • Ik verlies. 
  2. gebiedende wijs van verliezen
    • Verlies! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van verliezen
    • Verlies je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. verlies op website: Etymologiebank.nl
  2. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be