verlies

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·lies
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord verlies verliezen
verkleinwoord verliesje verliesjes

Zelfstandig naamwoord

verlies o

  1. het teloorgaan, het kwijtraken
    • Zijn vertrek naar Amerika is een groot verlies voor onze afdeling. 
    • Het bedrijf leed in dit kwartaal grote verliezen. 
Antoniemen
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
verliezen

verlies

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van verliezen
    • Ik verlies. 
  2. gebiedende wijs van verliezen
    • Verlies! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van verliezen
    • Verlies je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl