gewin

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·win
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van de stam van winnen met het voorvoegsel ge-
enkelvoud meervoud
naamwoord gewin -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

gewin o

  1. voordeel, winst
    • Het gewin was groot voor het bedrijf. 
    • Baas Becking vindt dat de mens op een verpletterende manier met de wereld omgaat, en te veel gericht is op economisch gewin. Hij beschrijft de mens als een plaag, vanwege de sterk toenemende bevolkingsgroei.”  [1]

Werkwoord

vervoeging van
gewinnen

gewin

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gewinnen
    • Ik gewin. 
  2. gebiedende wijs van gewinnen
    • Gewin! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gewinnen
    • Gewin je? 

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
92 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. www.nrc.nl (17 apr 2020)
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be


Oudnederlands

Zelfstandig naamwoord

gewin

  1. bezit