winstbejag

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • winst·be·jag
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord winstbejag
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

winstbejag o [1]

  1. het streven naar winst in situaties of op manieren die ongepast zijn, ('zakkenvullen')
    • De tegenstemmers zouden graag zien dat eerst de ’boosdoeners’ van deze financiele crisis eerst aangepakt zouden worden. „Ze zitten gevangen tussen twee partijen met ziekelijk winstbejag: verzekeraars en Pharmaindustrie”, zegt een deelnemer. „Farma’s maken woekerwinsten. Medicatie kan veel goedkoper én minder. Men krijgt allerlei medicatie om de bijwerkingen van andere medicatie te onderdrukken.”[2] 
    • Toch denken deelnemers niet dat de vergrijzing en de toenemende medische kennis debet zijn aan de stijgende zorgkosten. Respondenten denken dat de manier waarop de zorg in Nederland is georganiseerd ervoor zorgt dat de kosten de pan uit rijzen. Bij velen is vooral het winstbejag van de zorgverzekeraars een doorn in het oog.[3] 
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

90 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Telegraaf MARINA TER WOORT 19 okt. 2017
  3. de Telegraaf 08 sep. 2017
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be