Naar inhoud springen

gagner

Uit WikiWoordenboek
stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
gagner
gagnais
gagné
eerste groep volledig
  • via Oudfrans gaaigner van Oudfrankisch *waid̄anjan, verwant met Nederlands weide, waarschijnlijk met de betekenis "weiden, doen grazen", waaruit in Frans de betenis verschoof naar "cultiveren"; misschien omdat door het drieslagstelsel de velden na gebruikt te zijn als weiden, weer werden gebruikt als akkers. Deze betekenis werd nog altijd in het Oudfrans en Middelfrans gebruikt. Hieruit verkreeg het uiteindelijk de betekenis "zich verzekeren van een materieel goed door arbeid"[1]

gagner

  1. winnen
  2. verdienen


  • gag·ner
Naar frequentie 22728

gagner

  1. tegenwoordige tijd van gagne