gagner
Uiterlijk
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| infinitief | verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| gagner |
gagnais |
gagné |
| eerste groep | volledig | |
- via Oudfrans gaaigner van Oudfrankisch *waid̄anjan, verwant met Nederlands weide, waarschijnlijk met de betekenis "weiden, doen grazen", waaruit in Frans de betenis verschoof naar "cultiveren"; misschien omdat door het drieslagstelsel de velden na gebruikt te zijn als weiden, weer werden gebruikt als akkers. Deze betekenis werd nog altijd in het Oudfrans en Middelfrans gebruikt. Hieruit verkreeg het uiteindelijk de betekenis "zich verzekeren van een materieel goed door arbeid"[1]
gagner
- ↑ gagner (Etymologie) in: Le Trésor de la Langue Française informatisé (1971-1994)
op de website cnrtl.fr
.
- gag·ner
| Naar frequentie | 22728 |
|---|
gagner
- tegenwoordige tijd van gagne