overwinnen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak

(klemtoonhomogram)

Woordafbreking
  • over·win·nen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
overwinnen
overwon
overwonnen
klasse 3 volledig

Werkwoord

overwínnen

  1. (overgankelijk) een tegenstander of zwakte onder de knie krijgen
    Hij overwon zijn angst voor het water en nam zwemles.
Vertalingen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
overwinnen
won over
overgewonnen
klasse 3 volledig

Werkwoord

óverwinnen

  1. (overgankelijk) (verouderd) gewin overhouden, sparen
    Dog het is waar, dat wanneer een behoeftige Vreemdeling, in dit Land eenigen tyd gewoond, en eenigen rykdom overgewonnen hebbende, zig laat Naturaliseren, hy daardoor alsdan in staat raakt, om dat gewonnen geld met voordeel te besteeden in 't koopen van land, ...[1]
Verwijzingen
  1. 1753 September blz 214 Nederlandsch gedenkboek of Europische mercurius