wen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • wen
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘verouderd onderschikkend voegwoord’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1420 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord wen wennen
verkleinwoord wennetje wennetjes

Zelfstandig naamwoord

wen v / m

  1. (medisch) onderhuids gezwel veroorzaakt door verstopping van een talgklier [2] [3]

Voegwoord

wen

  1. (verouderd) wanneer [4] [5]

Werkwoord

vervoeging van
wennen

wen

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wennen
    • Ik wen. 
  2. gebiedende wijs van wennen
    • Wen! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wennen
    • Wen je? 

Gangbaarheid

76 % van de Nederlanders;
67 % van de Vlamingen.

Verwijzingen


Duits

Uitspraak
Woordafbreking
  • wen

Vragend voornaamwoord

wen

  1. wie (als lijdend voorwerp)
    «Wen hast du angerufen?»
    Wie heb je gebeld?


Limburgs

Uitspraak
  • IPA: /(x)wæn/ (Etsbergs)

Bijwoord

wen

  1. wanneer

Voegwoord

wen

  1. als, wanneer